Divine Word Missionaries

Peace and Justice Issues


Peace
&
Justice


Inhoud

Een spiritualiteit van verzoening


Back to

Peace & Justice

Members' Area

Site Map

Home


Een spiritualiteit van verzoening

De bijbelse basis voor een spiritualiteit van verzoening

e bijbelse basis om verzoening te begrijpen vinden we vooral in verhalen als die van Esau en Jakob, en Jozef en zijn broeders in Genesis of die van de Verloren Zoon in het evangelie van Lucas. St. Paulus is degene die het meest direct over verzoening spreekt. Ik zou graag willen beginnen met vijf beginselen aan te geven, die uit zijn overdenkingen voortvloeien en die speciaal gebaseerd zijn op 2 Kor. 5:17 20.

Verzoening is eerst en vooral Gods werk

We geloven, dat het heil van God komt en niet van onze inspanningen. Wat duidelijk wordt bij het werk van verzoening, speciaal sociale verzoening, is dat de aangerichte schade zo groot is, dat het iedere menselijke inspanning tot verbetering te boven gaat. God alleen heeft het perspectief, waardoor alles terecht kan komen. Wij zijn slechts instrumenten in Gods hand ambassadeurs voor Gods zaak". Alleen door in gemeenschap met God te leven, kunnen we zien, hoe God de wereld heelt. Daarom heeft verzoening meer van doen met spiritualiteit dan met strategie. Een andere denkwijze zal leiden tot een fysieke en psychologische burnout, wanneer inspanningen voor verzoening mislukken (zoals vaak het geval is).

Gods verzoeningswerk begint met het slachtoffer

Gewoonlijk denken we als volgt over verzoening: de schuldige krijgt berouw en vraagt het slachtoffer om vergeving. Het slachtoffer vergeeft de schuldige en dan komt er verzoening tot stand. Dit is een wondervolle gedachte, maar in werkelijkheid heeft de schuldige vaak geen berouw. Soms zijn schuldigen van mening, dat ze niets verkeerds hebben gedaan (gezaghebbende leiders beweren dit vaak). In andere gevallen is de schuldige zelfs niet aanwezig of niet te identificeren (de schuldige kan dood zijn of zelfs onbekend). Wat betekent dit voor het slachtoffer? Is heling voor het slachtoffer afhankelijk van het berouw van de schuldige? Blijft het slachtoffer gegijzeld tot een ogenblik, dat misschien nooit aanbreekt? Daarom geloven we, in deze opvatting van verzoening, dat God met het slachtoffer begint. God heelt het slachtoffer door het zijn menselijkheid terug te geven, die de schuldige aan het slachtoffer heeft ontnomen door hen als een zuiver object te beschouwen (in gevallen van verkrachting of sexhandel) of als geen persoon (in gevallen van ontvoering of wanneer bevolkingen uit hun vaderland worden verdreven). Dat God met het slachtoffer begint, komt overeen met onze opvattting van een God, die zorg draagt voor de weduwe en de wees, de vreemdeling en de gevangene. Niet ieder slachtoffer is in staat dit helingsaanbod te aanvaarden; maar dat er een helingsaanbod is, wordt duidelijk door wat we onder de kern van de christelijke verzoening verstaan.

God maakt van zowel het slachtoffer als de schuldige een "nieuwe schepping"

Wanneer we genezen worden van het trauma van het verleden of vergeving verkrijgen van wat we hebben misdaan, wil dit niet zeggen, dat we teruggaan naar de toestand van voor het conflict of het trauma. Dan zouden we de schade, die het kwaad toebrengt, bagatelliseren. In beide gevallen heling en vergeving komen het slachtoffer en de schuldige in een nieuwe positie, een positie die ze niet eerder konden innemen. Genezing komt als bij verrassing. Verzoening is voor het slachtoffer meer dan dat de last van het verleden is weggenomen. Het is alsof men in een nieuwe positie komt en een visie krijgt van een ander soort wereld. Om deze reden kunnen sociale verzoeningsprocessen het best geleid worden door mensen, die deze genezingservaring hebben gehad, want zij kunnen zien, wat de rest van ons niet kan.

We plaatsen ons lijden binnen de geschiedenis van Christus' lijden, dood en verrijzenis

Lijden is op zichzelf niet veredelend; aan zichzelf overgelaten vernietigt het personen en maatschappijen. Alleen wanneer het in een nieuwe sociale ruimte wordt gebracht, en opgenomen binnen een netwerk van relaties kan het veredelend en zelfs verlossend worden. Als christenen plaatsen we de geschiedenis van ons lijden in de gschiedenis van Jezus' lijden, dood en verrijzenis. Dit wordt goed uitgedrukt in Fil. 3:10, waar Paulus zegt, dat hij Christus wil kennen en de gemeenschap met zijn lijden gewaarworden, zodat hij ook de kracht van Christus' opstanding kan leren kennen. Jezus' geschiedenis is het kader, dat betekenis en hoop schenkt aan hen die verlossing zoeken uit hun eigen pijn.

Volle verzoening zal er pas zijn als God alles in allen is

De hymnen, waarmee Efeziërs en Kolossenzen openen, maken ons duidelijk, dat de verzoening, die we nu ervaren, niet volledig is. Ze zal pas volledig worden, wanneer Christus alles heeft verzoend. Bij het werk van de verzoening herinnert het ons aan het verschil tussen optimisme en hoop: optimisme komt voort uit het vertrouwen dat wij hebben in wat wij kunnen doen. Hoop is vertrouwen in wat God zal doen. Hoop biedt ons een veel bredere horizon en visie op de toekomst.

Individuele en sociale verzoening

Er moeten een paar woorden gewijd worden aan het verschil tussen werken met individuen met een trauma en werken voor sociale heling. Zoals reeds werd opgemerkt, betreft de christelijke opvatting van verzoening het herstel van de menselijkheid van het slachtoffer, het herstel van ons wezen als beeld van God (Gen. 1:27). Sociale verzoening streeft naar de wederopbouw van de maatschappij na conflict. Ze richt zich op de morele en symbolische wederopbouw van de maatschappij, daar dit de basis is voor de zekerheid, dat er niet opnieuw een conflict zal ontstaan. Sociale verzoening, die in deze zin wordt verstaan, streeft naar het vertellen van de waarheid, het beoefenen van de rechtvaardigheid, de genezing van de herinneringen, en sociale vergeving.

Een christelijke spiritualiteit van verzoening

Ik zou nu willen overgaan naar een spiritualiteit, die hen kan ondersteunen, die zich inzetten voor het werk van de verzoening. Zoals reeds is opgemerkt, zullen zonder een gevoel van spiritualiteit de strategieën van verzoening (conflictverandering, vredestichting) moeilijk kunnen worden volgehouden. De spiritualiteit, die hier wordt voorgesteld, is belangrijk voor zowel de individuele als de sociale verzoening.

Zoals andere vormen van spiritualiteit spelen beelden een belangrijke rol bij het centraal stellen van onze spiritualiteit en de verdere uitwerking ervan. Beelden belichamen begrippen, maar hebben een rijkere resonance. Evenzo verschaffen verhalen ons een wijze om de gebeurtenissen, waardoor ons leven zozeer is veranderd, aaneen te rijgen. Bij verzoening zijn verhalen van dubbel belang of verhalen over wat er met slachtoffers is gebeurd en hoe ze zijn genezen, of verhalen over wat er met ons als volk is gebeurd en hoe we kwamen tot waar we nu zijn.

In dit gedeelte zou ik een beeld willen onderzoeken, dat in het centrum staat van een spiritualiteit van verzoening en het met een paar verhalen willen illustreren, die zowel uit de hedendaagse ervaring als uit de bijbel afkomstig zijn. Dan zal ik me wenden tot de oefeningen van spiritualiteit, die uit dit beeld voortkomen.

Wonden als een bron voor een spiritualiteit van verzoening

Wanneer we denken aan de gevolgen van gebeurtenissen, die ons leven voor altijd op negatieve wijze hebben veranderd, komt het beeld van wonden spoedig voor onze geest. Een wond is niet alleen het bewijs van het feit, dat er iets fout is gegaan. Een etterende wond of een litteken getuigen van de rol van het geheugen in ons leven. In het geval van diepe wonden in ons lichaam of onze ziel verlaten wonden ons nooit. Ze zijn de tekenen, dat er iets blijvends in ons leven is veranderd. Als de wonden nog open zijn, verbinden ze ons met het verleden op wijzen, waaraan we niet gemakkelijk kunnen ontsnappen. Als de wonden in littekens zijn veranderd, roepen ze ons het verleden te binnen en wijzen ons erop, dat we ons nu in een andere situatie bevinden.

Wonden spelen zowel een negatieve als een positieve rol bij de verzoening. Laten we eerst naar de wonden van de slachtoffers kijken. Als de wonden van de slachtoffers open blijven, dan gaan ze etteren en kwellen het slachtoffer, dat ze draagt. Ze kunnen het slachtoffer voortdurend terugbrengen naar het moment, waarop ze werden toegebracht. Ze kunnen een referentiepunt worden, waaraan alles wordt gerelateerd met betrekking tot hun voortdurende pijn. Een dramatisch voorbeeld daarvan is, wat er in 1989 gebeurde. In een speech herinnerde Slobodan Milosevic het Servische volk aan de veldslag op het Merelveld zeshonderd jaar tevoren, waarin de Orthodoxe Serven door de Ottomaanse Turken waren verslagen. Die herinnering was nog giftig genoeg om de volkeren van de Balkan voor de komende zes jaar in een oorlog te storten.

Wonden, die niet verzorgd worden, kunnen toekomstige gebeurtenissen blijven vergiftigen. We kennen mensen, die nog wrok meedragen over kwaad dat hen jaren geleden is aangedaan, en waarvan ze nooit zijn genezen. Hun leven blijft gegijzeld door die voorbije gebeurtenis. Eén van de grote gevaren van niet verzorgde wonden is, dat slachtoffers zelf degenen kunnen worden, die kwaad aan anderen toebrengen. In burgerlijke conflicten is het soms bijna onmogelijk om uit te vinden, wie het slachtoffer en wie de schuldige is, daar in de loop van de tijd de betrokken partijen beide zijn geweest. Evenzo is het niet ongewoon, dat mensen, die onder een autoritair regime hebben geleden zich, nadat de onderdrukking heeft opgehouden, storten in wetteloosheid, anarchie of hedonisme. Dit is een gedrag, dat ze in hun beste momenten niet zouden dulden. Het gebeurt, omdat de kracht van de wonden wordt genegeerd of onderdrukt. Daarom moeten we bij de dienst van de verzoening speciaal erop letten, hoe het gesteld is met de wonden van de slachtoffers.

Maar wat, wanneer de wonden de kans hebben gehad om te helen? Zij die hun wonden verzorgd hebben, zijn de beste candidaten voor het werk van de verzoening. Degenen wier wonden genezen zijn, kunnen een ongebruikelijke empathie ontwikkelen met anderen die lijden. Ze kijken op hen die gewond zijn met een blik, welke voor andere personen van goede wil veel moeilijker is te ontwikkelen. Deze gewonde helers kunnen de wereld van pijn en lijden van de slachtoffers op een unieke wijze betreden. Ze kunnen de slachtoffers vergezellen op wijzen, die voor de rest van ons onbekend zijn. Ja, deze gewonde helers ontwikkelen zelfs vaak een gevoel van roeping om anderen te helpen als deel van hun genezingsproces.

Maar het feit dat de heler gewond is, kan ook negatieve gevolgen hebben. Als zogenaamde helers de aanwezigheid van hun wonden niet erkennen (of omdat ze er geen aandacht aan schenken of omdat ze die verdringen), dan kunnen hun wonden afbreuk doen aan hun desbetreffende hulp aan anderen. Dit kan op vele verschillende wijzen gebeuren. Allereerst kunnen niet erkende wonden de helers storten in een obsederend altruïstisch gedrag, als om voor de wonden van het verleden te boeten. Dit kan zich openbaren in "de behoefte nodig te zijn". In andere gevallen zullen helers niet toelaten, dat slachtoffers verder gaan, uit vrees dat de slachtoffers hen niet langer nodig hebben.

Ten tweede kunnen niet erkende wonden zo neuralgisch worden dat, als herinneringen aan de wonden verlevendigd worden door gebeurtenissen in het heden, het helingsproces zich verplaatst van het slachtoffer naar de heler. En ten slotte kunnen niet erkende wonden de heler ertoe brengen te grote risico's te nemen, die zowel de heler als het slachtoffer in gevaar brengen. Dit is speciaal het geval met mensen, die deze wonden hebben en dan in conflictsituaties terechtkomen.

Ik ben hier langer blijven stilstaan bij niet erkende wonden, omdat we ze vaak tegenkomen bij leden van religieuze instituten. Deze gewonde mensen kunnen tot het religieuze leven zelf, of tot gevaarlijk werk, of tot het werk van de verzoening worden aangetrokken om zichzelf en God wijs te maken, dat ze werkelijk helemaal niet gewond zijn of dat ze de wonden, die ze dragen, weer goed kunnen maken. Dit komt vooral tot uiting bij mensen, die zich hectisch in activiteiten storten of zich aan een te groot fysiek risico voor hun eigen heil of dat van anderen blootstellen.

Een ander potentieel negatief gevolg moet nog vermeld worden, dat niet erkende wonden bij degenen die in verzoeningswerk betrokken zijn, kunnen hebben. Zelfs geheelde wonden kunnen opnieuw opengaan, wanneer men in traumasituaties werkt. Wanneer men geconfronteerd wordt met massamoorden, opzettelijke verminking van individuen, het gebruik van verkrachting als een militaire strategie, wordt men om zo te zeggen direct met het kwaad geconfronteerd. Wanneer men voor langere tijd in zulke situaties werkt, kan dit het best worden geduid als een worsteling met geïncarneerd kwaad. Het kwaad geeft niet gemakkelijk terrein prijs en zal op iedere mogelijke wijze toeslaan om zijn greep te handhaven. Ofschoon we van het kwaad in deze omstandigheden op de hoogte zijn, zal het al onze krachten opeisen, ons persoonlijkheidsgevoel daarbij inbegrepen. Als we niet op onszelf letten, lopen we het risico, dat we minder mens worden. Ik heb personen gezien, die hun eigen wonden uit het verleden niet verzorgd hadden en die zich bij hun verzoeningswerk begonnen te gedragen op een twijfelachtige of zelfs verkeerde wijze, welke ze zelf onder normale omstandigheden niet zouden tolereren. (Dit wordt in de psychologische literatuur "tweede trauma" genoemd waar een te sterke ervaring van het trauma van anderen, de persoon zelf die tracht te helpen, traumatiseert). Eenvoudig gezegd: als we onze eigen wonden niet verzorgen zelfs als ze genezen zijn zal het kwaad ons speciaal op dat punt aanvallen.

Deze presentatie over wonden in het werk van de verzoening zowel de wonden van de slachtoffers als van hen die ze helpen mag op het eerste gezicht psychologisch of sociologisch schijnen. Ze biedt echter de gelegenheid om ons met de spiritualiteit van de verzoening bezig te houden. Als we de theologische principes volgen, die de basis vormen van de boven beschreven verzoening, plaatsen we de geschiedenis van onze wonden in de geschiedenis van Christus' eigen lijden, dood en verrijzenis. Het desbetreffende bijbelse verhaal vinden we in Johannes 20:19 29. Wanneer Jezus aan zijn leerlingen verschijnt, zelfs bij gesloten deuren, is het eerste wat hij doet, zijn wonden tonen. Een diepe paradox opent zich hier. Jezus draagt in zijn verrezen en verheerlijkt lichaam een lichaam dat door gesloten deuren heen kan nog de wonden van zijn foltering en dood. Wanneer de leerlingen hem niet herkennen, toont hij hun zijn wonden als bewijs, wie hij is.

Ik denk, dat deze handelwijze twee betekenissen voor ons inhoudt. Allereerst, zoals reeds is gezegd, blijven zelfs wonden, die genezen zijn, voor altijd deel uitmaken van wie we zijn. Zelfs in het verheerlijkte lichaam van de verrezen Heer zijn ze nog aanwezig. Misschien gebruikte Jezus ze bij zijn identificatie om ons die waarheid te leren. Herinnering, en onze relatie met het verleden, helpen ons vast te stellen, wie we nu zijn en wie we misschien kunnen worden.

De wonden leren ons nog iets. Wanneer Jezus ze gebruikt om zichzelf bij zijn leerlingen te identificeren, realiseren we ons, dat ze niet bijkomstig of perifeer zijn voor hoe Jezus over zichzelf denkt. Ze gaan, om zo te zeggen, deel uitmaken van zijn signatuur. Dan worden de leerlingen uitgezonden om Gods vergeving aan te bieden. De wonden, die wij hebben, zijn bedoeld om een bron van heling te worden voor anderen. Dit wordt goed geïllustreerd door de volgende scène in het verhaal. Thomas, die afwezig was, toen Jezus aan zijn leerlingen verscheen, weigert te geloven, wat hij hoort. Misschien kon hij het zich eenvoudig niet indenken. Misschien was hij verbolgen, omdat hij buiten de ervaring was gelaten. Wanneer Jezus de volgende keer verschijnt, is het eerste wat hij doet, naar Thomas gaan. Hij nodigt hem uit, niet slechts naar zijn wonden te kijken, maar ze aan te raken, er zelfs binnen te gaan. Jezus gebruikt de wonden van zijn foltering die bedoeld zijn om hem van andere mensen te isoleren om Thomas weer in contact te brengen met hem, met de andere leerlingen en met zijn eigen innerlijk. Misschien komen we zo tot een beter begrip van wat de H. Schrift bedoelt met "door zijn striemen zijn wij genezen" (Jes. 53:4; 1 Petr. 2:24).

Als we onze wonden kennen, ze in de wonden van Jezus leggen, als we onze geschiedenis in verband brengen met Jezus' geschiedenis, scheppen we daardoor de voorwaarden, dat onze wonden een verlossende werking voor anderen krijgen. We kunnen anderen laten zien, dat ze niet alleen zijn en niet buiten het weefsel van het menselijke leven staan. Door naar Christus gevormd te zijn in zijn dood, zullen we ook de verrijzenis leren kennen (Fil. 3:10). Een spiritualiteit van verzoening vindt zijn oorsprong in de aandacht voor wonden: de wonden van slachtoffers, de wonden van hen die voor genezing werken, en de wonden van Christus.

Ik zou deze afdeling over een spiritualiteit van verzoening, gebaseerd op wonden, willen afsluiten met een andere Paulinische tekst uit de tweede brief aan de Korintiërs (4:7 11):

Maar wij dragen deze schat in aarden potten; duidelijk blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer, maar zijn nooit ten einde raad; wij worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld maar gaan er niet aan dood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in ons lichaam openbaar worden. Voortdurend wordt ons leven aan de dood uitgeleverd om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus zich zou openbaren in ons sterfelijk bestaan.

Deze passage geeft veel dimensies weer van een spiritualiteit van wonden. Verzoening is een schat, een gave van God. Maar hij wordt gedragen in aarden potten, dat is, in onszelf als broze menselijke instrumenten van Gods werk. Wanneer we de wonden, die ons kenmerken, sonderen, en ons in herinnering roepen, wat ze symboliseren, dan gaan we door een chaos van emoties: de ervaringen van droefenis, verbijstering, vervolging en neerslachtigheid. Maar zelfs te midden van zulke ervaringen sleept een zekere kracht ons erdoorheen: wij zijn niet klem, niet ten einde raad, niet in de steek gelaten of gaan er niet aan dood. Zij die in de dienst van de verzoening werken, zullen deze emoties in de slachtoffers herkennen, en vaak ook in zichzelf.

Wat hier duidelijk wordt, is dat ondanks deze tegenspoeden we er niet onderdoor gaan vanwege de grote schat, die we in ons dragen. Paulus wijst op de paradox, die dit mogelijk maakt: we dragen de dood van de Heer in ons lichaam. De taal is hier betekenisvol. Veel van de droeve feiten, die om verzoening roepen, zijn in ons lichaam gegrift of in ons lichaam als individu, zoals in het geval van verkrachting en foltering; of in het politieke lichaam als politieke herinnering. Herinneringen zijn niet alleen intellectueel of emotioneel; maar vaak zijn ze ook diep somatisch. De dood van Jezus, die we met ons dragen, is zo'n somatische herinnering: de last van zijn dood, die in onze lichamen is ingeschreven. Op deze wijze is het iets, dat niet kan worden vergeten. De dood van Jezus is een herinneringswond met veel dimensie's. Het is een wond, die in het hart van ons wezen ligt, en daarom onze oriëntatie op de dingen, die we hebben geleden, verandert. We kunnen niet om die wond heen, noch ons hart en onze geest zo afwenden, dat we hem vergeten. De wond vestigt ons lijden op onszelf, maar staat zelf niet in het centrum van de aandacht. Hij verwijst eerder boven zichzelf uit naar de verrijzenis van Jezus, als de wonden zullen worden verheerlijkt en een middel van heling worden.

Johannes Baptist Metz heeft gesproken over de gevaarlijke herinnering aan Jezus Christus gevaarlijk omdat ze bevrijdend is, gevaarlijk omdat de poging om een eind te maken aan Jezus' geschiedenis door zijn leven te niet te doen, alleen maar leidde tot de explosie ervan in een andere dimensie. De genezende genade van de verzoening, het leven van Christus, dat zichtbaar wordt in ons lichaam, heeft diezelfde gevaarlijke en bevrijdende mogelijkheid. Het is het verschil tussen neergeveld zijn, maar niet dood. Gods macht om het heelal in Christus met zich te verzoenen, om vrede te stichten door het bloed aan het kruis vergoten (Kol. 1:20), onthult voor ons de band tussen onze wonden, de wonden van Christus en het gewonde hart van God, die de wereld zo liefheeft.

Oefeningen voor een spiritualiteit van verzoening

Wat zijn de oefeningen, die uitdrukking geven aan deze spiritualiteit van verzoening? Ik zou twee oefeningen willen voorstellen:

  1. de beoefening van het contemplatieve gebed, en
  2. het scheppen van veilige en gastvrije plaatsen.

Contemplatief gebed kan een vreemde geestelijke oefening schijnen voor zo iets actiefs als het werk van verzoening. Maar er zijn minstens drie goede redenen voor deze suggestie.

Allereerst, als verzoening eerst en vooral Gods werk is, en wij slechts Gods instrumenten zijn, dan moeten wij om trouwe en efficiënte instrumenten te zijn in voortdurend contact en vereniging met God leven. Het contemplatieve gebed is daar speciaal geëigend voor. Met het contemplatieve gebed beginnen we geen activiteit zoals het geval kan zijn bij voorbedegebed of lofgebeden. Eerder leren we in stilte en geduld te wachten tot God spreekt. Dit wachten op God schept in ons de stilte, waarin wij God kunnen horen als zijn woord tot ons komt. Zo'n stil, geduldig wachten heeft het daaruitvolgend effect, dat het ons leert, hoe te wachten en te waken met hen die genezing zoeken. De slachtoffers hebben er vaak behoefte aan hun verhalen telkens weer te vertellen, voordat er een genezingswoord wordt gesproken.

Ten tweede, de beoefening van het contemplatieve gebed bereidt ons voor op de momenten, dat er geen woord van God tot ons komt. De terugkeer naar het contemplatieve gebed, zelfs als God niet tot ons heeft gesproken, is dikwijls de voorwaarde voor onze geestelijke omvorming. Eveneens vinden er vaak geen verzoening en genezing plaats, hoe geduldig en zorgzaam we ook zijn of geweest zijn.

Bij dit wachten op God gaat onze blik terug naar onze eigen wonden: is er iets in onszelf, dat deze vereniging met God blokkeert? We worden weer opgeroepen om naar onze eigen wonden te kijken niet uit een soort van masochisme of narcisme, maar om iets nieuws van onze wonden te leren. Als we in nieuwe situaties komen, worden er andere plaatsen in onze wonden geraakt. Misschien ontdekken we delen, die nog niet genezen zijn. Of misschien ontdekken we krachten, waar we geen weet van hadden.

Dit wachten op God kan ons ook voorbereiden op een van de moeilijkste momenten in de dienst van de verzoening: die afschrikwekkende momenten dat God zich niet alleen stil houdt, maar er zelfs helemaal niet meer schijnt te zijn. Degenen die folteringen hebben overleefd, vertellen soms over deze diepe ervaring van afwezigheid. Het maakt niet uit, hoe diep hun geloof was, op het ogenblik van de ergste pijn waren ze volledig alleen God was er niet. Jezus' klagend schreeuwen op het kruis, op een ogenblik dat God afwezig scheen (Mat. 27:46), is misschien de enige plaats, waarheen die verstikkende angst gedragen kan worden.

Ten derde, contemplatie kan ons vermogen vermeerderen om ons de vrede, de "nieuwe schepping" waarvan Paulus spreekt ( 2 Kor. 5:17), voor te stellen. Bij het werken om geweld te overwinnen, is vrede meer dan het ophouden van conflict. Het is, zoals we gezien hebben, een nieuwe plaats, die heel anders is dan we hadden verwacht. Het wachten en waken kan ons gevoelig maken voor de kleinste bewegingen van de genade. Contemplatie zet ons dan op een weg naar de toekomst.

De tweede oefening van een spiritualiteit van verzoening is het scheppen van veilige en gastvrije plaatsen. Het zijn plaatsen, waar slachtoffers kunnen komen wonen om hun wonden te sonderen en zich een andere toekomst voor te stellen. Dit zijn zowel fysieke als sociale plaatsen. South Africa's Truth and Reconciliation Commission was bedoeld als een dergelijke plaats, waar slachtoffers zonder represaille de waarheid konden komen zeggen.

Deze plaatsen moeten op de eerste plaats veilig zijn. D.w.z., plaatsen, waar de slachtoffers niet opnieuw zullen worden beledigd. Daar deze beledigingen in de grond een fundamentele breuk van vertrouwen zijn, moet de veiligheid zo zijn, dat deze breuken geheeld kunnen worden, het vertrouwen hersteld, en de mensen weer verbonden met de menselijke familie.

Door veilige plaatsen te scheppen, bereiden de verzoeningsbedienaren de slachtoffers opnieuw voor op een ervaring van Gods onwrikbare trouw. Het is de basis voor een verbond, voor het gevoel van erbij te horen, van te geloven in een wereld, waar men weer durft te hopen. De constante aanwezigheid van hen die werken voor de verzoening (deze trouw wordt gevoed door de contemplatie) bewerkt, dat de slachtoffers hun verhalen kunnen vertellen zonder te worden onderbroken of gecorrigeerd, dat ze kunnen ervaren dat iemand hen vergezelt en hen niet in de steek laat, dat ze iemand hebben, die niet voor hun boosheid of hun tranen op de vlucht gaat.

De plaats moet ook gastvrij zijn. Dat betekent allereerst, dat de gastvrijheid moet worden geboden op een wijze, die het slachtoffer verstaat. Het is gastvrijheid, zoals het slachtoffer zich die voorstelt en niet zoals de persoon, die haar verleent. Hierop moet speciaal worden gelet, wanneer er culturele verschillen zijn tussen de slachtoffers en degenen die hen helpen. Gastvrijheid betekent, ten tweede, dat het slachtoffer wordt geacht, dat de menselijkheid van het slachtoffer opnieuw wordt bevestigd, zelfs als ze is verminderd door een trauma of slechte daad. Gastvrijheid is niet een middel voor een ander doel, maar iets belangrijks in zichzelf. Ten derde, de ervaring van de gastvrijheid kan de weg banen voor de ervaring van de goddelijke gastvrijheid de gave die we genade noemen. Genade is het moment, waarop de genezing van de wonde plaats vindt, waarop de menselijkheid wordt hersteld, waarop het beeld van God (Gen. 1:27) in het slachtoffer zijn luister herkrijgt.

Het grote bijbelse verhaal, waarbij een veilige en gastvrije plaats wordt geschapen, is dat van Jezus en de leerlingen bij het ontbijt aan het strand (Joh. 21:1 19). In het verhaal maakt Jezus het ontbijt voor de leerlingen klaar. Tijdens het maal, dat hij bereid heeft van vis, die hijzelf heeft meegebracht en van vis, die de leerlingen hebben gebracht, zegt Jezus niets. Dit schept een veilige en gastvrije plaats. Pas na het ontbijt keert hij zich tot Simon en vraagt drie keer of hij, Simon, Jezus liefheeft. De driemaal herhaalde vraag bedroeft Simon. Het herinnert hem aan een andere episode, niet lang geleden, toen hij rond een ander vuurtje ontkende Jezus te kennen. Maar iedere keer dat hij opnieuw zijn liefde voor Jezus bevestigt, geeft Jezus hem een opdracht zorg te dragen voor zijn lammeren. Jezus toont zijn herkregen vertrouwen in Petrus door degenen aan hem toe te vertrouwen, die zijn meest kwetsbare volgelingen zijn. Juist zoals Jezus in een eerder verhaal Thomas weer met de leerlingen verbond, zo doet hij nu hetzelfde met Simon.

Conclusie

Verzoening is iets, waaraan onze wereld heden een schreeuwende behoefte heeft. En opdat ze plaatsvindt, moeten we diep geworteld raken in een spiritualiteit, die ons staande zal houden bij dit zeer moeilijke werk. Een belangrijke weg, die ons in die spiritualiteit doet binnentreden, gaat langs onze eigen wonden, opdat we zo komen bij de helende wonden van Christus. Twee van de geestelijke oefeningen, die ons daar zullen brengen, zijn die van het contemplatieve gebed en het scheppen van veilige, gastvrije plaatsen voor anderen. Er zijn, natuurlijk, veel andere dimensies. Maar hier moeten we beginnen.

P. Robert Schreiter, C.PP.S.


Robert Schreiter, C.PP.S., doceert theologie aan de Catholic Theological Union in Chicago (VS) en aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, Nederland. Zijn boeken en artikelen over verzoening zijn in vele talen verschenen. Hij is ook lid van het Algemeen Bestuur van de Missionarissen van het Kostbaar Bloed. (Oorspronkelijk in het Engels).